Fayevanos | Onderzoeksredactie

https://player.slices.co/stories/-MIt4rNwpRAfX6cxgl07

Door: Jasper Droge, Coen van der Giesen en Faye van Os 

Sinds de moord op George Floyd hebben veel mensen hun ogen geopend, er moet een eind komen aan racisme. Mensen gingen massaal de straat op om te protesteren, ook in Nederland. De petitie ‘Zetje in’ ging van start om racisme verplicht te behandelen in het onderwijs, dit resulteerde al snel in een motie die werd ingediend door Kirsten van den Hul (PvdA-raadslid). De motie werd aangenomen en gesprekken volgde. Hoe staat het er nu voor met de motie, gaat het onderwijs hier daadwerkelijk wat mee doen of niet?

‘Het zijn nog steeds twee witte mensen die over het ministerie van onderwijs gaan, en dat is best wel tricky’
Afgelopen zomer zijn de drie vriendinnen: Veronica, Lakiescha en Sohna een petitie gestart om racisme verplicht te behandelen in het onderwijs. Nadat de drie initiatiefnemers 60000 handtekeningen behaalde, werd de petitie een burgerinitiatief. PvdA-raadslid Kirsten van den Hul benaderde hun en diende een motie in bij de tweede kamer. De motie werd aangenomen en nu we een paar maanden verder zijn heeft Lakiescha Tol haar eerste gesprek met onder andere Rutte gehad, een gesprek waarin zij en andere partijen de kans krijgen om te betogen wat er volgens hun misgaat in de samenleving.

Fayevanos | Onderzoeksredactie

Mark Rutte betoogde dat hij naar een land wil met nul racisme en discriminatie. Het kabinet wil dat er maatregelen genomen worden in sectoren waar racisme vaak voorkomt, een van die sectoren is het onderwijs. Iedere genodigde kreeg ongeveer tien minuten tot een kwartier de tijd om te spreken. ‘Soms vond ik mezelf best wel brutaal in het gesprek maar ik wilde goed duidelijk maken wat er volgens mij mis is en dat Rutte daar veelte lang zijn ogen voor heeft gesloten’, aldus Tol. Wat betreft het plan van aanpak is er nog weinig bekend, dat moet uit de volgende gesprekken blijken.

‘Er is in de tussentijd niet per se heel veel veranderd. Er is natuurlijk wel een motie ingediend, die is aangenomen. Toen de motie werd aangenomen besloten wij om hiermee verder te gaan. We werken nu vanuit vier doelen: ten eerste willen we ons blijven bezighouden met de motie want het zijn nog steeds twee witte mensen die over het ministerie van onderwijs gaan, en dat is best wel tricky. Daarnaast willen we in gesprek gaan met uitgeverijen over wat zij al doen om onderwijs inclusiever te maken. We willen vervolgens ook gaan kijken bij de lerarenopleidingen om te zien hoe zij hun studenten opleiden. Ten slotte willen we natuurlijk aan de slag gaan met onze eigen lespakketten want zo’n motie kan soms wel jaren duren voordat er stappen worden gezet en wij willen graag dat de scholen in de tussentijd al ergens mee aan de slag kunnen gaan, vertelt Tol.’

‘Een uitgeverij is een best wel witte organisatie, om het maar plat te zeggen’, aldus Rob van der Linden, redacteur bij uitgeverij Zwijsen. Van der Linden zocht contact met Tol over mogelijke feedback op een stuk over het slavernijverleden voor groep 7 en 8 dat een van de redacteuren schreef voor ‘Nieuwe zaken’, een onderdeel van Zwijsen. ‘We wilden graag dat een van de dames van het ‘Zetje in team’ haar reactie hier op gaf omdat zij dit misschien vanuit een heel ander perspectief bekijken.’ Zwijsen is bezig met teams inclusiever te maken zodat nieuwe producten vanuit alle perspectieven bekeken worden. ‘Er moeten allerlei mensen toegevoegd worden aan deze teams; niet alleen maar mannen, niet alleen maar vrouwen, niet alleen maar witte mensen en niet alleen maar donkere mensen, het moet inclusiever worden, vertelt van der Linden.’

Fayevanos | Onderzoeksredactie

‘Nieuwe zaken’ is een onderdeel van ‘de zaken van Zwijsen’. Zaken van Zwijsen bestaat uit de methodes De Zaken 3-4, Natuurzaken, Tijdzaken en aanvullend hierop wereldoriëntatiethema’s en de actuele lessen van Nieuwe Zaken. Nieuwe Zaken bestaat uit interactieve lessen die
gebaseerd zijn op het laatste nieuws. Het komt er extra bij dus scholen zijn niet verplicht om het te behandelen. Het ligt er helemaal aan of een docent ruimte heeft of kan maken om dit te behandelen naast het vaste lesprogramma. ‘Het maakt het wel lastig dat het niet verplicht behandeld moet worden want als een docent het niet leuk vindt om te behandelen wordt het gewoon niet behandeld. Ik heb zelf voor de klas gestaan en ik merkte bij mezelf ook dat ik liever dingen behandelde met de klas waar ik zelf ook geïnteresseerd was’, aldus van der Linden.

De lespakketten van ‘Zetje in’ staan op het moment op een kleine pauze. ‘We zijn er mee van start gegaan maar we merkten dat niet alle mensen uit ons team er genoeg tijd voor hadden. Het leek ons daarom slimmer om met een wat intiemer groepje verder te gaan. Ik wil ook niet dat er te veel haast achter zit want het perspectief waar wij vanuit willen werken moet ook goed en zorgvuldig uitgewerkt worden. Op het moment werken we veel aan de organisatorische kant. We willen een stichting opzetten en daarvoor moeten we ook mensen werven. Dat heeft voor nu onze prioriteit.’

Er wordt dus door verschillende partijen al iets aan gedaan om de situatie rondom racisme in het onderwijs te verbeteren. Toch zou de verplichting om het te behandelen van hogerhand moeten komen en daar laat de regering wellicht wel een steek vallen. Er is nog weinig over de motie bekend. De initiatiefnemers van ‘Zetje in’ weten er weinig vanaf en ook Kirsten van den Hul wordt niet genoeg op de hoogte gehouden. Tol is bang dat er veel tijd overheen zal gaan voordat er wat wordt uitgevoerd. ‘Zeker nu het Corona virus een grote plek heeft ingenomen op de politieke agenda is het belangrijk dat zaken zoals deze motie niet vergeten worden’, aldus Tol. Spreken we van symboolpolitiek of heeft de regering wel degelijk grootse plannen?

Ongemak bij docenten als het gaat over racisme
 Docenten voelen vaak ongemak om hierover te praten met leerlingen. Ze weten niet goed hoe ze dit moeten bespreken met leerlingen, vaak door gebrek aan kennis en professionele ontwikkeling van de school. Nu de motie meegenomen wordt in het nieuwe onderwijscurriculum is het van belang dat docenten leren hoe ze wél met leerlingen in gesprek kunnen gaan over deze kwestie.

‘Ik ben ervan overtuigd dat het vooral heeft te maken met de goede intenties van docenten en dat ze het idee hebben dat wanneer je neutraal bent dat voldoende is’, aldus Seyda Buurman, diversiteit coach en- trainer. Daar slaan docenten juist de plank mis, want een leerling moet zichzelf kunnen zijn. Docenten zijn bang dat er onenigheid ontstaat in de klas doordat er geen sprake meer is van neutraliteit. ‘Eigenlijk zijn het heel veel zorgen maar hierdoor bevestig je juist voor mensen die gediscrimineerd worden dat de situatie niet zal veranderen en dat de leraar er ook niet voor hun is om hun te beschermen’, vertelt Buurman.

Fayevanos | Onderzoeksredactie

Buurman is onder andere bekend van de blue eyes- brown eyes trainingen. In deze trainingen deelt ze de bruinogige en blauwogige op in twee groepen. De blauwogige groep laat ze door het experiment heen het gevoel krijgen dat ze minder waard zijn dan de bruinogige. Hiermee wil ze het effect van racisme en discriminatie aantonen. Dit experiment voert ze ook uit op scholen. ‘Het gaat vaak twee kanten op, de ene keer benaderd de docent mij dat zijn kinderen een probleem hebben en de andere keer word ik benaderd dat de docent een probleem heeft en dat hij niet weet wat te doen. Wij vinden dat de leraar eerst in training moet, dat heeft te maken met pedagogische redenen: de leraar moet het eerst zelf ondergaan om te bepalen wat zijn leerlingen aankunnen. Na de training volgt een lange reflectie van leraar met klas en dat is vaak het moment waarop er het meest geleerd wordt van elkaar en dat wordt vaak ook als toch best wel pittig ervaren’.

Volgens Sabrina Alhanachi, onderwijswetenschapper en orthopedagoog, is het van belang om meer kennis op te doen over verschillende culturele achtergronden en moet men meer openstaan voor het onbekende. ‘Voor een leerling is het belangrijk als een docent met hem of haar in gesprek gaat en oprechte interesse toont in zijn/haar thuiscultuur, dat zorgt voor een betere relatie met de docent en leerlingen voelen zich dan veel meer op hun gemak. Veel docenten zijn zich niet bewust van het feit dat het belangrijk is om de verschillende culturen in je klas ter verwerken in je lesinhoud’, vertelt Alhanachi werkzaam bij de Erasmus Universiteit Rotterdam

Het verwerken van diversiteit in je lessen waaronder ook het behandelen van gevoelige onderwerpen als racisme en discriminatie wordt vaak gezien als iets extra’s, omdat het nog heel vrijblijvend is. Dat zou een reden kunnen zijn dat docenten het liever niet behandelen. Zodra de lessen aansluiten bij de leefwereld van leerlingen zie je ook dat leerprestaties verbeteren. ‘Het is daarnaast heel belangrijk om ouders bij veel dingen te betrekken, neem bijvoorbeeld het eindadvies op de basisschool. Een ouder of een andere docent zal wellicht vragen kunnen beantwoorden waar je als docent zelf nog over twijfelt’, aldus Alhanachi.

Fayevanos | Onderzoeksredactie

Als we een opsomming maken van de bevindingen van Alhanachi en Buurman kunnen we concluderen dat het voor leraren vooral van belang is om meer kennis op te doen over racisme en discriminatie. Je verdiepen in je leerlingen en aandachtig naar hun luisteren is van belang. Hierdoor zullen leerlingen zich meer op hun gemak voelen en creëer je een betere leeromgeving voor zowel leraar als leerling.


Naleving van de motie: wie controleert dat?
De motie die het behandelen van discriminatie op scholen verplicht stelt, is aangenomen. Zo’n verplichting werkt alleen als er ook op wordt toegezien dat dit wordt nageleefd. Bij wie de taak ligt om dit te controleren en hoe die controle eruit moet gaan zien, is niet duidelijk.

De Inspectie op het Onderwijs controleert de kwaliteit van het onderwijs in Nederland. Zij valt onder het Ministier van Onderwijs, Cultuur en Sport. Onder meer door schoolbezoeken, gesprekken met ouders, kinderen en docenten en het monitoren van cijferresultaten en doorstroompercentages krijgen zij een goed beeld van een school.

Een school wordt door de onderwijsinspectie beoordeeld aan de hand van een aantal kerndoelen. De belangrijkste kerndoelen die aansluiten op de motie zijn:
Kerndoel 38: “De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen, en ze leren respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit”
Kerndoel 43: “De leerling leert over overeenkomsten, verschillen en veranderingen in cultuur en levensbeschouwing in Nederland, leert eigen en andermans leefwijze daarmee in verband te brengen, leert de betekenis voor de samenleving te zien van respect voor elkaars opvattingen en leefwijzen, en leert respectvol om te gaan met seksualiteit en diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit”

Wanneer een school op deze twee kerndoelen goed scoort, zal de onderwijsinspectie een positief beeld krijgen over de manier waarop discriminatie en racisme wordt behandeld.

Een van de aandachtspunten in de motie is het terug laten komen van de verschillende culturen die wij in dit land kennen, in het lesmateriaal. Bijvoorbeeld een meer objectieve blik op de ‘politionele acties’ in Nederlands-Indië, toevoegen van personages met een niet-westerse immigratieachtergrond en kringgesprekken over discriminatie en racisme in het basisonderwijs.

De Onderwijsinspectie beschrijft in een onderzoek hun eventuele taak om dit te controleren als volgt: ‘Hoewel de inspectie geen taak heeft bij ‘keuring’ van leermiddelen en in Nederland geen sprake is van controle of goedkeuring van leermateriaal, beoordeelt de inspectie wel of het onderwijs zoals de school dat geeft aan de wettelijke eisen voldoet.’ Er wordt dus niet expliciet door de schoolboeken gebladerd om bijvoorbeeld de aanwezigheid van verschillende culturen te controleren en zo de uitwerking van de motie te controleren.

‘Alleen als de taken van de onderwijsinspectie worden aangepast kan de inspectie hier een rol in gaan spelen.’ zegt Daan Jansen, woordvoerder van de onderwijsinspectie. De vraag is of het wel wenselijk is om een inspectie te hebben die leermiddelen bekijkt en beoordeelt. In Nederland hebben we vrijheid van onderwijs en je zou zelfs zoals Jansen het noemt ‘in een hutje op de hei zonder leermiddelen les mogen geven’, het controleren van de lesstof zou die vrijheid beperken.

Alleen als de inhoud van de leermiddelen indruisen tegen de basiswaarden van de democratische rechtstaat en deze belemmeren, zal de Onderwijsinspectie tot deze maatregel overgaan.

In de huidige taak die de inspectie heeft zal het dus niet overgaan tot controleren van lesmiddelen. Als dit niet gecontroleerd wordt, heeft de motie weinig toegevoegde waarde
De vraag is nu wie dat dan wel gaat doen.

Samenhangendonderwijs sleutel tot succes
Het basisonderwijs zal racisme ook verplicht bespreekbaar moeten maken. Uit de inspectie van vorig jaar bleek dat openbare basisschool de Leest in Etten-Leur bij de 1,7% behoorde van beste basisscholen in Nederland. Hoe gaan zij om met de motie en de daaropvolgende maatregelen?

Al sinds de jaren 40 worden er onderzoeken gehouden naar racisme bij kinderen. Voorbeelden hiervan zijn de ‘Clark and Clarktest’ en de PRAM-test. Hoe doet Kim Koijen, directrice van OBS De Leest in Etten-Leur, dit?  ‘Wij doen geen testen met kinderen, maar op het moment dat een universiteit of een onderzoeksbureau onderzoek wilt doen, kunnen ze dat aanvragen en moeten de ouders toestemming geven hiervoor.’ Volgens Freud gaan kinderen vanaf het vierde levensjaar meer besef krijgen en kunnen ze verschillen merken tussen cultuur. ‘Ik merk dat bij kleine kinderen eigenlijk niet. Als kinderen ouder worden begin je dat wel te merken. Bijvoorbeeld een tien jarige jongen van een andere etniciteit die niet naast een meisje wilt zitten.’

Fayevanos | Onderzoeksredactie

Het basisonderwijs is een belangrijke fase in het leven van een kind. Maar hoe belangrijk is het eigenlijk? ‘Ik denk niet dat basisonderwijs het belangrijkste is. Uiteindelijk denk ik dat het de ouders en de thuissituatie de belangrijkste factoren zijn voor de vorming van een kind.’ Racisme komt op allerlei manieren en niveaus voor zowel op basisonderwijs als middelbaar en- beroepsonderwijs, maar Koijen denkt dat het op de basisschool het minst speelt. En dat komt volgens haar door de sterke groepsvorming die je creëert. Je komt in groep 3 bij elkaar in de klas en je zit tot groep 8 bij elkaar. Dus als Jantje, Pietje en Ibrahim bij jou in de klas zitten is dat heel normaal. Maar de basisschool heeft natuurlijk wel een grote rol hierin. Koijen denkt namelijk wel dat er een goede basis moet liggen als ze naar het voortgezet onderwijs gaan en daar is de basisschool medeverantwoordelijk voor. Maar uiteindelijk ga je op die leeftijd toch je ouders napraten zegt de directrice. ‘Ik denk dat in groep zeven, acht, het eerste en tweede jaar van het middelbaaronderwijs dat daar het meeste gebeurt qua ontwikkeling.’ Uiteindelijk gaat het om normen en waarden. Die zullen volgens haar niet zo snel gelijk worden en daar zullen we elkaar niet snel in gaan begrijpen, zegt Koijen. ‘Dat moeten we ook respecteren.’

Lesmethode
Alle basisscholen mogen zelf beslissen wat voor lesmethodes zij gebruiken en dat gaat ook gebeuren met het verplicht bespreekbaar maken van racisme. De PO raad laat weten dat ze er geen enkele mening over hebben over wat volgens hen de beste lesmethode hiervoor is. Wel laten ze weten dat er in het huidige regeerakkoord meer aandacht wordt besteed aan het aanscherpen van het burgerschap. De beste methode hiervoor volgens Koijen is ‘samenhangendonderwijs’. ‘’Wij gebruiken niet de Canon, want wij werken thematisch. Wij hebben jaarlijks een thema cultuur, dat is een periode van 5 tot 6 weken en dat hebben we dan elke dag. Dan leren de kinderen bijvoorbeeld: nieuwe woorden over het thema, we gaan een synagoge bezoeken of een moskee, ze maken een werkstuk over het onderwerp, ze krijgen begrijpend lezen met teksten over verschillende culturen, bij biologie gaat het over voedsel en dan komt het onderwerp cultuur ook weer terug, want mensen in China eten anders dan mensen in Nederland. Ook Aardrijkskunde kan je weer

Fayevanos | Onderzoeksredactie

koppelen aan cultuur door middel van verschillende klimaten. Bij sommige onderwerpen speelt cultuur een grotere rol dan bij andere. Bij verkeer bijvoorbeeld kan je het wel gaan hebben over het verkeer in Hanoi Vietnam, maar uiteindelijk moeten kinderen in Nederland de weg op dus dan ligt de focus op Nederland. Al die dingen zijn met elkaar verweven. Uit onderzoek blijkt ook dat kinderen het sneller onthouden, wanneer ze het kunnen koppelen aan iets. Deze vorm van onderwijs wordt ook wel samenhangendonderwijs genoemd.’ ‘Ook geven wij nog kanjer training. Dat gaat over veiligheid, rust en wederzijds respect. Ik denk als we allemaal zo met elkaar omgaan, zowel volwassen als kinderen dat de wereld echt een stukje mooier wordt. Dat zit hem in het stukje wederzijds respect. Jij doet het zo en ik doe anders en respecteer dat je elkaar daar niet altijd in gaat vinden.’ Door de huidige situatie met corona zijn de vergaderingen opgeschort met betrekking tot het aanscherpen van het burgerschap.

’9 van de 10 keer dat iemand buitengesloten of gepest wordt heeft het te maken met uiterlijk, kwetsbaarheid en uitstraling.’ De vraag is natuurlijk wat wordt hiertegen gedaan en wat moet er extra gedaan worden. Een kringgesprek gaat niet werken zegt het schoolhoofd, want dan krijg je sociaal wenselijke antwoorden. ‘Ik denk dat er eigenlijk geen lesmethode voor is. Het is meer een lifestyle. Het kan niet zo zijn dat je op een week 30 minuten er over praat en daarna er niks meer aan gedaan wordt. Het grootste deel brengen de kinderen niet op school door maar thuis. Het zit veel dieper vanbinnen. Je moet je visie op de maatschappij veranderen wil je dat op een langere termijn doortrekken.’ Om dit voor elkaar te krijgen probeert De Leest de ouders zo veel mogelijk te betrekken met de school en het kind. Ze hebben veel gesprekken met ouders over wat de kinderen nodig hebben om zich goed te ontwikkelen. ‘Ook hebben we vve programma’s. Dat is voor kinderen van groep 2 tot en met groep 4 met een taalachterstand die anderstalig zijn opgevoed.’ De PO raad laat weten dat mensen niet in de waan van de dag moeten kijken, maar meer naar de toekomst. Ook vinden ze dat er gekeken moet worden naar wat het beste is voor het kind.

Een belangrijk aspect voor leerlingen is dat ze zich kunnen identificeren met de leerkracht. Dus de diversiteit in het onderwijs is belangrijk vindt ook Koijen. ‘Wij hebben één collega van een niet-westerse achtergrond. Dat is niet echt veel, maar op de PABO zie je dat ook bijna niet. En als ze er niet kan je ze ook niet aannemen helaas. Maar ik vind niet dat het per se moet diversiteit. Ik kies altijd kwaliteit. Het maakt mij niet uit of het een man, vrouw, donker of wit zijn, ik ga voor kwaliteit.’

Schooladvies en inspectie
Het schooladvies is al jaren een discussie punt. Hoe geven jullie het advies? Dat zijn verschillende zaken laat Koijen weten. ‘Wij geven vanaf groep drie ieder jaar een cito toets, 1 in januari en 1 in juni en die geeft een weergave in een grafiek per vakgebied. Per vakgebied zie je op welke niveau een kind zit. In groep zeven krijg je nog een Cito entrée toets. Daar komt een eerste advies uit. Die wordt besproken zowel met de ouders als het kind. Als je dan naar groep acht gaat krijg je een NIO-toets en een drempel onderzoek. Begin groep acht krijg je je tweede advies. Hierin wordt ook gekeken naar werkhouding, motivatie, huiswerk en zelfstandigheid. Ook krijgen de ouders ieder jaar vragenlijsten en in groep 7 en 8 moeten de ouders ook invullen wat zij denken wat het advies wordt. Dit werkt erg goed. Wanneer het zo is dat er een groot verschil zit in het advies van school en de verwachting van de ouders dan komt er nog een extra gesprek. Als de laatste toetsen zijn afgenomen komt het definitieve advies. Dit besluit wordt genomen door: de directeur, interne begeleider en leerkracht’, zegt de directrice. Een leerkracht heeft veel invloed op dit proces en dit kan zowel positief als negatief uitpakken voor een kind. ‘Uiteindelijk is het goed dat de docent lijdend is, want een toets is een moment opname en het team die het advies maakt heeft 8 jaar lang zicht op jou’, zegt Koijen. De cijfers van het CBS laten weten dat kinderen met een migratie achtergrond vaak een te laag advies krijgen en kinderen zonder een migratie achtergrond een te hoog advies. ‘De laatste jaren uit mijn eigen ervaring is het eigenlijk zo dat ouders met een migratie achtergrond vaker tegen het advies in gaan dan ouders zonder migratie achtergrond. Kinderen van ouders zonder migratie achtergrond hebben vaker meer steun van hun thuissituatie.

De onderwijsinspectie zal misschien ook wel haar inspectie moeten aanpassen hoe doen ze dat nu? ‘Ze kijken op verschillende manieren. De inspectie begint bij het bestuur van de scholen. Dan wordt er gekeken naar financiën, kwaliteit en bestuur management. Daarna gaan ze naar de scholen bezoeken en inspecteren ze op verschillende gebieden. Lesstofaanbod, onderwijstijd, kwaliteitszorg, doorstroom naar voorgezet onderwijs, communicatie, stukje pedagogisch kader en keiharde resultaten’, zegt Koijen. Kijkt de inspectie niet naar gelijkheid, diversiteit of iets dergelijks? Nee, ze kijken alleen maar naar de zaakvakken, zegt Koijen. ‘Uiteindelijk gaan alle vragen over resultaten en dat vind ik niet goed. Het gaat te hard op resultaten er zou meer gekeken moeten worden naar hoe je lesgeeft en de stof die aanbrengt en wat het effect is op de leerling. Het monitoren van de groei is het belangrijkst.’

‘Het bedrijfsleven moet mee, anders gaat dit niet lukken’
Stagediscriminatie in het MBO
In het beroepsonderwijs komen studenten discriminatie het meest tegen, meestal als ze hun kwaliteiten in het bedrijfsleven gaan inzetten, kortom als ze op stage gaan. Dit kan ervoor zorgen dat studenten minder gemotiveerd raken en dat ze voortijdig stoppen met hun studie. Vaak worden signalen van discriminatie niet voldoende erkend maar ook studenten zelf doen te weinig als ze hiermee in aanraking komen.

De cijfers over stagediscriminatie in het mbo zijn keihard. In 2018 liet minister Ingrid van Engelshoven, door het Research Centre for the Education and the Labour, onderzoek doen naar hoe vaak het voorkomt dat mbo-studenten gediscrimineerd worden op de arbeidsmarkt. Autochtonen mbo-studenten vinden in 68 procent van de gevallen, in één keer een stageplek. Bij mbo-studenten met een niet-westerse immigratieachtergrond is dit slechts 48 procent. En waar autochtonen studenten in 11 procent van de gevallen vier keer of vaker moeten solliciteren, ligt dit percentage bij niet-westerse studenten weer hoger, namelijk bijna 24 procent.

De brancheorganisatie van alle mbo-scholen in Nederland, de MBO Raad, onderkent dit probleem maar plaatst daar wel meteen een kanttekening bij: ‘Discriminatie op de stagemarkt is wel veel breder dan alleen discriminatie op afkomst’, benadrukt Marije Hulsbosch-Sizoo, woordvoerder en manager in- & externe communicatie van de MBO Raad. ‘Denk aan discriminatie op basis van geloof, leeftijd, geslacht en geaardheid.’ Tevens is er volgens haar een verschil tussen feitelijke en beleefde discriminatie. Je kunt je gediscrimineerd voelen maar dit hoeft in de praktijk niet altijd zo te zijn.
‘Wat betreft discriminatie op basis van je achtergrond komt ook het tegenovergestelde voor, studenten die solliciteren bij een werkgever met een niet-westerse immigratieachtergrond lopen ook tegen discriminatie aan.’

De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) kent een stagediscriminatie meldpunt. SBB is de verbindende factor tussen studenten en bedrijfsleven. Op hun site kunnen studenten erkende leerbedrijven vinden en opzoek gaan naar vacatures die aansluiten bij hun studie. Volgens Hulsbosch-Sizoo wordt er van het meldpunt weinig gebruik gemaakt. Een van de redenen hiervoor is dat scholen discriminatie liever omzeilen dan dat ze het aanpakken. Ze gaan de confrontatie met deze leerbedrijven niet aan, wellicht uit angst dat een leerbedrijf niet meer wil samenwerken met de school.

In 2018 kwamen er slechts 17 meldingen van discriminatie binnen bij het meldpunt, waarbij er in één geval een sanctie werd opgelegd. Volgens Ingrid van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, is het aantoonbaar maken van discriminatie de reden van het lage aantal sancties.

Van Engelshoven pleitte in juni van dit jaar, tijdens het Kamerdebat over het beroepsonderwijs, voor het toewijzen van stageplekken in het mbo. Dit wordt eerst op pilot basis gedaan, om te onderzoeken of het aanslaat, voordat het eventueel landelijk wordt ingevoerd. Navraag bij de MBO Raad leert dat mbo-scholen zich aan kunnen melden als ze mee willen doen aan deze pilot. Op deze scholen zal het regelen van de stages voor rekening van de school komen, zij zoeken er dan zelf geschikte studenten bij. Volgens Hulsboch-Sizoo zal de pilot op zijn vroegst eind dit jaar maar waarschijnlijk begin volgend jaar van start gaan.

Naast de pilot komt er ook een campagne om awareness te creëren bij studenten, scholen en leerbedrijven. Hierin wordt duidelijk gemaakt waar studenten met hun klachten heen kunnen, hoe scholen hiermee om moeten gaan en richt zich op bewustwording bij leerbedrijven. Hulsbosch-Sizoo onderstreept: ‘Het is een gezamenlijk probleem en het onderwijs alleen is niet de oplossing. Het bedrijfsleven moet mee, anders gaat dit niet lukken.’

Conclusie
Wat betreft de motie verschillen de meningen over of verplicht behandelen van racisme in het onderwijs wel of geen invloed heeft op het onderwijs. Volgens Alhanachi en Buurman is het zonder twijfel een goed initiatief. Volgens Buurman is het een stap in de goede richting. ‘Het zal niet van de een op de andere dag verbeteren en naar alle waarschijnlijkheid zal het weerstand opleveren maar toch denk ik dat het wel degelijk veel invloed zal hebben op het onderwijs.’ Alhanachi vindt dat alleen hulp van de overheid niet genoeg is bij deze kwestie. Het ligt volgens haar niet bij de overheid zelf maar ook bij de mensen zelf. ‘Het duurt nu al zolang dat het bij mensen in hun hoofd gegrafeerd is. Er wordt wel degelijk over gesproken en we maken stappen maar het is er nog steeds. We zijn maatschappelijk verantwoordelijk voor dit probleem. Er is geen bepaald persoon of ministerie verantwoordelijk, dat zijn we met z’n allen. Als er meer aandacht wordt geschonken aan mensen en hun interactie met elkaar zal men meer bewust worden van dit probleem’.