Als je schaakgrootmeester en schrijver Hein Donner mag geloven, hebben vrouwen simpelweg niet het vermogen om net zo goed te kunnen schaken als mannen. “Vrouwen kunnen niet schaken”, beweerde Donner altijd halsstarrig. Via de objectieve ELO-rating in de sport is duidelijk te zien dat mannen sinds jaar en dag beduidend beter presteren dan vrouwen. Maar uit recente onderzoeken die gehouden zijn, blijken onder andere participatiegraad en sociale stimulans ook veel invloed te hebben op de prestatieverschillen tussen mannen en vrouwen. Houden de Schaakbond en toernooiorganisatoren hier vast aan een achterhaalde visie? En heeft een verandering binnen de sport (wat man/vrouw regeling betreft) een positief effect op kloof tussen de twee geslachten?

 

Onderzoek Bilalic

Een belangrijk onderzoek naar een verklaring voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het topschaak, is het onderzoek naar de ‘participatiegraad’ van een groep academici (o.l.v. Merim Bilalic) destijds onder de vlag van de Universiteit Oxford. Het is een onderzoek dat vaak terugkomt tijdens de research. De conclusie luidt: de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het topschaak is simpelweg te verklaren door het feit dat er een algemene ondervertegenwoordiging van vrouwen in het schaken is. Een behoorlijke ondervertegenwoordiging. In een onderzoek van Anne Maas (onderzoeker op de Universiteit van Padova) naar de invloed van gender stereotypes op de prestatiekloof tussen man en vrouw, gaf ze aan dat wereldwijd 5% van de professionele schakers van het vrouwelijke geslacht is, van alle schaakgrootmeesters (hoogst haalbare titel in het schaken) is slechts 1% vrouw. Het onderzoek van Maas komt uit 2007, en daarmee zijn die cijfers enigszins gedateerd. Wel bleek dat de vrouwen die deelnamen aan het onderzoek beter (lees: aanvallender) speelden zodra ze niet op de hoogte waren van het geslacht van hun tegenstanders. Recentere cijfers die de ondervertegenwoordiging aantonen zijn afkomstig van de Ierse Alice O’Gorman: in Europa is de vrouw voor gemiddeld 3,7% vertegenwoordigt in de nationale top 100. Daarover later meer. Het punt bij de participatiegraad is dat het niet uitmaakt of mannen beter, slechter of evengoed kunnen schaken dan vrouwen. Zodra de mannen stevig in de meerderheid zijn zie je dat ook terug in de prestaties; statistisch gezien is de kans veel groter dat er een goede schaker in de grotere groep zit. Door het verschil in groepsgrootte valt ook de kloof tussen de beste mannelijke schakers en de beste vrouwelijke schakers bijna helemaal te verklaren, aldus Bilalic. Hij keek naar de bekendste schakers van Duitsland, een groep van 120.000 schakers. Hiervan waren er 113.000 man en 7000 vrouw. Het verschil in de hoogste rating bij beide geslachten is voor 96% te wijten aan het kwantitatieve verschil tussen mannen en vrouwen wat er heerste.

De ‘intellectuele supprioriteit’ met dit onderzoek nog niet uit beeld verdwenen. Op 17 januari 2009 (enkele weken na het onderzoek van Bilalic) schreef NRC-journalist Rob van den Berg in de krant over het onderzoek: ‘Grote vraag is dan waarom er minder vrouwen schaken. Dat zou nog steeds kunnen doordat vrouwen er gewoon minder goed in zijn.’ Volgens Van der Berg heeft Bilalic daar al rekening mee gehouden. Van den Berg: ‘Bilalic vond echter dat de uitval van jongens en meisjes die met schaken zijn begonnen, even hoog is.’ Ook volgens een onderzoek uit 2006 van de Amerikanen Chabris en Glickman is de uitval van jongens en meisjes bij het schaken even hoog, maar wederom: de cijfers zijn niet recent genoeg. Wat het onderzoek van Bilalic ons in ieder geval wijzer maakt, is  a. dat er een enorm verschil is tussen de hoeveelheid mannelijke en de hoeveelheid vrouwelijke schakers en b. dat dit ongetwijfeld een verklaring is voor de ondervertegenwoordiging van vrouwen op het hoogste niveau schaken. Terugkijkend op dit onderzoek valt op dat onze bronnen vrijwel direct de kloof in prestaties linken met het aantrekkelijk maken van de sport voor meisjes. Waarschijnlijk een teken dat het onderzoek van Bilalic, of beter gezegd de participatiegraadtheorie, als vanzelfsprekend wordt ervaren door specialisten en wordt meegenomen in alle gesprekken die tot verbetering moeten leiden. Althans, specialisten die wij spraken.

 

London Chess Conference en de schaakwereld

 Als we het nu hebben over veranderingen in de sport wat tot meer succes bij de vrouwen leidt, mag de London Chess Conference niet ontbreken. Het jaarlijkse symposium is bij uitstek dé plek om de toekomst van de schaaksport te bespreken. Ook de positie van de dame op het schaakbord wordt niet overgeslagen. Zo mocht Alice O’Gorman, zelf fervent schaakster en lid van de Europese commissie voor vrouwenschaak, een plenaire bijeenkomst aftrappen met de resultaten van een onderzoek dat ze heeft uitgevoerd, onder andere naar de financiering van vrouwenschaak door heel Europa. Daaruit kon O’Gorman opmaken dat een kwart van de Europese schaakfederaties geen geld ter beschikking heeft gesteld specifiek voor vrouwenschaak. Bijna de helft van de ondervraagde schaakbonden (43%) geeft aan wel geld te hebben voor vrouwenschaak, maar dat uitsluitend te spenderen aan topvrouwen die internationaal schaken. Ongeveer 12% gaf aan geld beschikbaar te hebben voor op nationaal niveau spelende vrouwen, ‘voor meisjes om ze aan het schaken te krijgen en ervoor te zorgen dat ze blijven schaken voordat ze gaan studeren’, aldus O’Gorman.

De resterende procenten bedroegen schaakbonden die wel geld beschikbaar stelden voor vrouwenschaak, maar dit ware kleine percentages waarin lage niveaus en zelfs kroegschakers werden meegenomen. Met de hierboven genoemde categorieën is een duidelijk verschil aan te duiden. Vandaar dat ze in de infographic staan vermeld als ‘overig’. Een belangrijke strekking van het verhaal van O’Gorman, is dat er de laatste jaren steeds meer geld naar het vrouwenschaak is gegaan, zonder dat dat veel vooruitgang opleverde. Dat laatste deel van de zin bevestigt O’Gorman in het begin van haar betoog, waarin ze via pijnlijke statistieken laat zien dat vrouwen stevig zijn ondervertegenwoordigd in de meeste Europese landen (gemiddelde vertegenwoordiging van 3,7%).

Ook aanwezig op de London Chess Conference, is de Nederlander Karel van Delft. Van Delft is schaakpsycholoog en initiatiefnemer van de Schaakacademie Apeldoorn. Binnenkort wordt de Engelse vertaling van zijn boek ‘Schoolschaken’ uitgegeven. Wat door Van Delft wordt vastgesteld, is dat bij de overgang naar de middelbare school het aantal meisjes in de schaaksport sterk afneemt, terwijl jongens en meisjes in de jeugd nagenoeg beiden 50% vertegenwoordigen. Als we ervan uitgaan dat de participatiegraad niet weg te denken is als we het over het prestatieverschil hebben, is de vraag waarom er minder vrouwen schaken. In het boek staat de volgende zin: ‘Meisjes gaan eerder naar een schaakvereniging als er meer meisjes zijn.’ Zie daar: de vrouwencompetitie. April Conin, oud schaakkampioene in Ierland, stelt op de London Chess Conference dat aparte vrouwencompetities een voordeel zijn, en gebruikt de door Van Delft genoemde zin als reden. Als er weinig meisjes schaken, krijgen meisjes al gauw het idee dat schaken niks voor hen is. Wat dat betreft zou de vrouwencompetitie een stimulans moeten zijn om meer meisjes aan het schaken te krijgen en dus (volgens Bilalic) meer vrouwen in de schaaktop te zien. Hoeveel generaties dat nodig heeft, en hoeveel aandacht of geld er dan precies moet worden besteedt aan vrouwenschaak heeft nog niemand kunnen achterhalen. Wat we wel weten, is dat apart vrouwenschaak niet iets is van de laatste jaren. We weten dat vrouwenschaak in de jaren 90 ruimschoots aanwezig was. In een artikel in de Volkskrant (11-11-1999) bericht schaakjournaist Gert Ligterink het volgende: ‘De Nederlandse schaaksters zien deze week een hartenwens in vervulling gaan. Na een zwerftocht langs achterafzaaltjes en gymnastieklokalen heeft het toernooi om de nationale titel een sfeervol onderkomen gevonden dat past bij de huidige status van het Nederlandse vrouwenschaak….’ Verder in het artikel staat dat de beste Nederlandse schaaksters van die tijd kort vóór de verschijning van het artikel een beroep hebben gedaan op de KNSB om meer aandacht te besteden aan het vrouwenschaak. Binnen de KNSB was Sytze Faber destijds verantwoordelijk voor nieuwe initiatieven op het gebied van vrouwenschaak. We zijn erachter gekomen dat dit niet het begin was van actief en apart vrouwenschaak in Nederland, maar slechts een herrijzing.

Sterker nog, in een nummer van Trouw (30-08-1984) verscheen een artikel waarin de maatregelen van de KNSB ‘om vrouwenschaak uit de kinderschoenen te helpen’ werden opgelepeld. In het stuk werd oud-Kamer-voorzitter Dick Dolman genoemd. Dolman mocht een openingstoespraak houden voor het NK schaken voor dames (1984!). De volgende zin staat letterlijk in het artikel:

“Dolman, bekend als fervent schaker, bleek zelf minder te zijn belast met vooroordelen dan de illustere schaakprof. Hij stelde dat schakende vrouwen zich tijdens onderlinge toernooien kunnen ontwikkelen zodat het over enige tijd niet meer nodig zou zijn om voor mannen en vrouwen aparte toernooien te organiseren.”

Dolman overleed een jaar geleden, maar wat zouden we graag zijn uitspraak van toen aan hem voorleggen. Dat dit de hypothese van Dolman was, wil nog niet zeggen dat de Schaakbond destijds ook zo optimistisch was ingesteld. Maar als de participatiegraad toen al serieus werd genomen en de vrouwencompetities werden opgesteld om vrouwenschaak aan te prijzen of te bevorderen: wanneer zien we daar de effecten van terug? Volgens O’Gorman zijn de huidige statistieken in ieder geval nog niet om over naar huis te schrijven. In Nederland wachten we (vooralsnog tevergeefs) sinds ’99 op de komst van meer topschaaksters. Sterker nog, sinds 1984. Sterker sterker nog, al in 1980 waren de verhalen over vrouwenschaak (en de toen al verschenen kritiek erop) in de Nederlandse media te lezen. In de Provinciale Zeeuwse Courant (PZC) verscheen op 31 mei 1980 een stuk (wat lijkt op een opiniestuk van de Zeeuwse lezer C. Jansen) met daarin het volgende opmerkingen: “Als men blijft vasthouden aan de zeer domme en voor het spelpeil funeste gedachte, dat voor vrouwen speciale vrouwentoernooien moeten worden georganiseerd, zal dat wel altijd zo blijven. Schaken is toch een geestelijke activiteit? Waarom schaken de vrouwen niet gewoon met de mannen mee?” Overigens zijn de topschaaksters wel gearriveerd. Heldinnen als Erika Sziva  en Zhaoqin Peng vestigden zich in de jaren 90 in Nederland, werden genaturaliseerd en hielpen het schaakniveau onder de dames omhoog (ook al zou je kunnen zeggen dat de authentieke Nederlandse schaakdames pas later op gang kwamen). Maar of dat de verdienste is van de vergroting van het aparte vrouwenschaak..

Wel deelt Van Delft ons mee dat gescheiden vrouwencompetities of –toernooien bij schaken niet louter plaatsvinden. ‘Bij clubs spelen mannen/vrouwen en meisjes/jongens gewoon tegen elkaar in interne en externe competities. Extern wil zeggen: tegen andere clubs. Ook op de meeste toernooien is er geen sekse-onderscheid.’ Het lijkt er inderdaad niet op dat de doorsnee schaakvereniging er veel mee bezig is. Neem nou SV Waalwijk: uit een bezoek in 2019 bleek dat de jeugd een groep van ongeveer 12 kinderen was. Weliswaar waren er maar twee meisjes, maar iedereen schaakten tegen iedereen. Dit is een minimalistisch voorbeeld; het zou wel heel raar zijn om voor slechts twee meisjes het lokaal in tweeën te verdelen. Maar wat Van Delft zegt, klopt natuurlijk. Dat zou overigens kunnen betekenen dat het afschaffen van aparte vrouwenwedstrijden in de sport misschien weinig tot geen stimulerend effect zou hebben op meisjes die jong beginnen met schaken. Aan de andere kant zou het kunnen dat meisjes schaken met vrouwentoernooien en vrouwenranglijsten in het vooruitzicht. Als meisjes op latere leeftijd uitsluitend tegen vrouwen schaken is dat (volgens de filosofie van Judith Polgar) niet de manier op je niveau te verhogen. Over Polgar straks meer.

Directeur van de London Chess Conference, John Foley, laat in een reactie aan de FHJ weten dat er een gezamenlijke inspanning nodig is om het genderverschil aan te pakken. ‘Bij bridge nemen mannen en vrouwen in gelijke aantallen tegen elkaar op. De sociale omgeving is daar veel diverser. Voor schaken is het niet zo eenvoudig om die ervaring na te bootsen. De meeste schakers en toernooiorganisatoren zijn mannen.’ Foley baseert zijn opvatting over de oplossing op een onderzoek dat is uitgevoerd door de ECU (Europian Chess Union). De strekking van het onderzoek is dat de schaakomgeving bepalend is voor het opvoeren van het aantal schakende meisjes en vrouwen.

‘De correcte sociale omgeving bevat bijvoorbeeld ook trainingskampen voor meisjes en een speciale meisjesruimte op toernooien. Vrouwelijke schakers voorzien van een prettige schaakervaring zorgt er waarschijnlijk voor dat meer vrouwen tevoorschijn komen’, zegt Foley. ‘Female only-toernooien zorgen er weliswaar voor dat er meer vrouwen gaan schaken, de meerderheid zal echter niet op een hoog niveau spelen. Als het de bedoeling is dat meer vrouwen de schaaktop van de wereld kunnen evenaren, is er een andere aanpak nodig.’

Foley geeft aan zelf geen onderzoek te hebben uitgevoerd over het onderwerp en baseert veel van zijn opvattingen op onderzoeken van de ECU en journalist Stefan Loffler. Ook geeft hij aan dat er bij deze kwestie een onderscheid moet worden gemaakt tussen de casual schaker en de competitive schaker, ofwel respectievelijk de recreatieve schaker en de fanatieke schaker. ‘Het is evident dat de meeste vrouwen er niet voor kiezen om een competitive schaker te zijn, en uren stil te moeten zitten in een toernooizaal. Casual schakers zijn alleen geïnteresseerd in bereikbare doelstellingen. Vandaar dat vrouwen toernooien aantrekkelijk vinden waarbij zij de spotlight voor zich kunnen opeisen. Daarom hebben competities uitsluitend voor vrouwen een positief effect op de participatiegraad.”

Opvallend is ook een onderzoek van schaakwebsite Chessity, dat wordt aangedragen door Van Delft. De website (waar kinderen kunnen leren schaken) keek naar haar gegevens, en concludeerde dat meisjes en jongens de sport op een andere manier aanleerden in de beginfase. Meisjes waren eerder geneigd om de introductielessen te lezen en schaakstellingen op te lossen, terwijl jongens eerder leerden door vallen en opstaan, en liever partijtjes speelden. Het hoogst haalbare diploma op de site werd door jongens en meisjes evenveel gehaald. Maar die statistiek telt alleen als het lesmateriaal op school door de vaste docent van de kinderen werd gegeven. Zodra er een schaakleraar werd ingehuurd, haalden de jongens het diploma drie keer zo vaak als meisjes. Dit onderzoek zou kunnen aansluiten bij de opvatting dat jongens gretiger schaken, er meer plezier uit halen én aanvallender schaken dan meisjes. Deze opvattingen zijn tijdens de research van ons onderzoek meerdere malen opgedoken (zie: experiment Anne Maas).

Iozefina Paulet

Meerdere verzoeken aan de Schaakbond (voorheen: Koninklijke Nederlandse Schaakbond, ofwel KNSB) tot een reactie op onze bevindingen krijgen geen gehoor. Wat wel duidelijk is, is dat de KNSB de internationale aanpak volgt. Dit weten we omdat: a. de knsb onderdeel is van het onderzoek van O’Gorman en b. we een interview hebben afgenomen met Iozefina Paulet. Paulet is op dit moment onderdeel van

de belangenorganisatie ChessQueens, een club die zich inzet om vrouwen en meisjes achter het schaakbord te krijgen. Paulet was tot voor kort onderdeel van het bestuur van de Schaakbond (zo recent zelfs dat ze nog geïntroduceerd staat op de website van de Schaakbond. ChessQueens en de Schaakbond kennen elkaar, en het lijkt erop dat hun opvattingen parallel zijn aan elkaar. Paulet komt van alle gesproken bronnen het dichtst in de buurt van de Schaakbond.

 

Vindt chessqueens dat er te weinig meisjes schaken?

Ja, ik heb ergens gelezen dat er gemiddeld van twintig leden van de schaakbond, maar er één vrouwelijk is. Dat is veel te weinig, daar moeten wij iets aan doen. Dat betekent dat het minder gezellig is, maar ook dat er minder diversiteit is. Dat gebrek aan diversiteit geeft vaak minder ruzie, en laat de zaken vaak sneller lopen.

Wat zijn de oorzaken van zulke lage cijfers?

Ik ben zelf opgegroeid in Roemenië, en ik merk dat daar schaker meer leeft bij meisjes dan in Nederland, maar om precies te zeggen waar dat aan ligt, vind ik lastig. Maar ook als je naar de geschiedenis kijkt, in de jaren 50-60 van de vorige eeuw, toen konden vrouwen niet eens werken, dus het was vanzelfsprekend dat mannen vooral degenen waren die hobby’s hadden. En doordat die geschiedenis die voornamelijk mannelijk is, lijkt het dat er ook meer een mannencultuur is ontstaan. Maar  in de jaren 60-70 begonnen vrouwen juist meer te werken en zich dus ook meer met hobby’s bezig houden. 

Heeft schaken ook een cultuur die meisjes een beetje afschrikt?

Als ik met moeders, meisjes of vrouwen praat, hoor ik vaak dat ze één van de enige zijn die tussen de twintig tot dertig mannen. Het is niet altijd dat vrouwen alleen maar met andere vrouwen willen praten, maar het is niet altijd even fijn om in je eentje te zijn op die manier. Daar hoef je niet per se een achterliggende reden voor te hebben, het is gewoon niet prettig, punt. 

Hebben ideeën zoals die van Donner “Vrouwen kunnen niet schaken” invloed op deze mannencultuur?

Ja, het zal zeker niet helpen inderdaad. Het grappige is dat Donner een volwassene was toen hij die uitspraak deed, want twee maanden geleden hield ik een simultaanpartij met een aantal kinderen. Toen zei een jongetje tegen zijn vriend ‘Spannend hé? We moeten tegen een Nederlands kampioen.’ Zijn vriend: ‘Ja, maar is ze is toch een meisje?’ Zelfs jongetjes van 10 jaar hebben zo’n beeld van hoe vrouwen zouden moeten presteren. Hoe dat precies komt weet ik niet, er zijn genoeg sociologen die daar onderzoek naar doen. En die sociologen zien dan twintig mannen en één vrouw zitten, en dan krijgt hij het idee dat knutselen voor vrouwen is en schaken voor mannen. Ik spreek wel eens vrouwen wiens zelfvertrouwen door deze cultuur is beïnvloed. Ze denken dat de mogelijkheden beperkt zijn omdat ze vrouw zijn, of dat ze niet slim genoeg zijn omdat ze vrouw zijn. Soms wordt er tegen hen gezegd dat ze zich beter kunnen richten op vrouwelijke hobby’s. 

Heb je er zelf ook last van?

Nee, maar ik merk wel dat het bij een bestuur van een schaakclub met alleen mannen, het vaak wat moeilijker gaat. Bij meer diversiteit is er minder vaak ruzie, en gaat de samenwerking vaak wat soepeler

Judith Polgar heeft ooit eens gezegd dat ze niet mee wilde doen aan vrouwentoernooien, omdat ze beter zou worden van tegen mannen schaken. Is dat een teken  dat aparte vrouwentoernooien, zoals dat gebruikelijk is, eigenlijk helemaal niet goed voor vrouwenschaak zijn?

Ja, je hebt wel gelijk, maar dan moet ik er wel een opmerking bij plaatsen. Polgar was al op een zeer hoog niveau toen ze die uitspraak maakte. Daarom is het zo dat ze eigenlijk wel tegen mannen moest schaken om nog tegenstanders op haar niveau te kunnen treffen. En om die extra stap te nemen om op wereldniveau te komen kon ze zeker niet alleen tegen vrouwen spelen. Maar verder spelen de meeste vrouwelijke schakers natuurlijk wel tegen mannen én vrouwen. Maar soms is het even fijn om tegen andere vrouwen te schaken. Plus dat het ook een mogelijkheid is om juist vrouwelijke schakers in de spotlight te zetten, en voor toernooien is het een mogelijkheid wat extra publiciteit te trekken.

 

 

De toekomst van het Koninklijke Spel

De Duitse Stefan Löffler, oud schaker en nu journalist, houdt zich al een behoorlijke tijd bezig met het man/vrouw thema binnen de sport. ‘Löffler is erg bekend op het gebied van genderverschillen in het schaken’, aldus John Foley. De twee zijn bekenden van elkaar en beiden hebben een prominente plek op de London Chess Conference; Foley als directeur, Löffler als één van de belangrijkste aanwezigen. Als hij niet spreekt, dan is het wel een belangrijk onderzoek dat hij heeft uitgevoerd. Ook aan Loffler de vraag of hij gescheiden sport een goed idee vindt.

Löffler: ‘De man/vrouw scheiding vind ik zowel intrinsiek als strategisch fout. Schaken zou een voorbeeld moeten nemen aan paardensport, waar de ruiters op geen enkele manier zijn gescheiden. Beleidsmakers van veel sporten denken dat de scheiding nodig is, ondanks het feit dat 1 op de 80 mensen zich niet identificeert met zijn of haar geslacht.’

Het punt wat Löffler maakt, raakt de kern van onze onderzoeksvraag. Het aantal schakende vrouwen en het aantal vrouwelijke topschakers hebben weliswaar met elkaar te maken, maar dat de prestatiekloof én de participatiegraad beiden kunnen worden opgelost door meer vrouwen aan het schaken te krijgen, is een misvatting. Wat dat betreft heeft Bilalic nooit ongelijk gehad, maar hij is misschien te ongenuanceerd omgesprongen met zijn conclusies. Of misschien is de schaakgemeenschap te lichtzinnig met Bilalic’ bevindingen omgesprongen. Een voorbeeld is Rob van den Berg, die we eerder zagen in dit onderzoek. Binnen twee alinea’s legt hij de link tussen prestatieverschil en het lage aantal schakende meisjes. Nogmaals: de link is er wel degelijk, maar de oplossing voor het prestatieprobleem verschijnt niet direct zodra het participatieprobleem verdwijnt.

Vera Menchik was in haar tijd (eerste helft van de 20e eeuw) vrijwel de eerste vrouw die tegen de mannelijke schaaktop aanschurkte. Judith Polgar (die nog altijd wordt gezien als de sterkste schaakster ooit) kwam in 2003 met 2735 punten als eerste vrouw ooit in de top-10 van de ranglijst te staan, op plek nummer 8. Geen enkele vrouw heeft sindsdien dezelfde prestatie geleverd. Opvallend is dat Polgar zelf is uitgesproken over de positie van de vrouw in de sport. In een opiniestuk in de Engelse krant The Guardian, stelt Polgar dat ze noot zo goed was geworden als ze uitsluitend tegen vrouwen had geschaakt, en dat haar schaakniveau enorm omhoog schoot zodra ze het opnam tegen haar mannelijke collega’s. Het stuk verscheen tijdens de London Chess Conference van 2019.

 

‘Nemanja Vaci, data-verzamelaar op de Universiteit Oxford, stelt dat een gedegen data-analyse kan laten zien dat gescheiden competities de prestaties van vrouwen op de ranglijst kan beperken. Judith Polgar heeft voordat ze tegen mannen schaakten, tien jaar gefocusseerd op enkel vrouwenschaak. Zelf denkt ze dat ze aan het eind van haar carrière dertig punten meer had gehad, als ze zich niet een decennia lang op vrouwenschaak had gestort’, deelt Loffler ons mee. Dertig punten.. Het klinkt als een paar tientallen maar voor een schaker is dertig ELO-punten erg veel, zeker voor een fanatieke kampioene als Polgar.

Wat leren wij hier nu van? Om te beginnen is de participatiegraad onlosmakelijk verbonden met het probleem van de prestatiekloof. We weten van de Nederlandse Schaakbond dat de bond de afgelopen decennia wel werk heeft gemaakt van vrouwenschaak, maar dan vooral gericht op aantal schakende meisjes, dat moest omhoog. Ten opzichte van de jaren 90 is dat gelukt, ten opzichte van de jaren 10 van deze eeuw zeer waarschijnlijk ook. Wat dat betreft doet Nederland mee aan de internationale aanpak, waarin de aanpak van de participatiegraad centraal staat. Meer kinderen (in het algemeen) en meisjes (in het bijzonder) aan het schaken krijgen redelijk gelukt.

Dat is niet gek: de KNSB heeft zich de laatste jaren gespecialiseerd in schaakeducatie en schaken voor de jeugd. Volgens Tom Bottema, persvoorlichter van Tata Steel Chess, heeft de Schaakbond in 2018 ervoor gezorgd dat om en nabij 10.000 kinderen in Nederland schaakles op school krijgen. Jaarlijks blijft 3% daarvan (honderden kinderen) hangen in de sport: een goede zaak. In tien jaar tijd is hete aantal schakende kinderen in Nederland verdubbeld, aldus de NOS. Het probleem van het lage aantal schakers wordt beetje bij beetje succesvol aangepakt. Echter, de Kasparovs en de Giris van de vrouwen zijn nog niet in grote getalen opgestaan. Polgar wacht nog altijd op een opvolger. Onze conclusie is dat:

het participatieprobleem beetje bij beetje verbeterd, maar nog niet de gewenste resultaten opgeleverd.

  de aanpak van de prestatiekloof beide problemen (participatie- en prestatieverschil) meer goed doet dan de aanpak van de participatiegraad beide problemen goed doet.

de internationale schaakgemeenschap de gescheiden competities binnen de sport eens moet herzien, en op lange termijn zou moeten elimineren.

Dat laatste hoeft niet morgen al te gebeuren. Liever niet zelfs. Als we geleidelijk vrouwen meer tegen mannen laten schaken zal het op termijn nog een beter effect hebben, is ons vermoeden. Hoe zien wij dat precies voor ons? Daarvoor zijn we niet opgeleid. Welke concrete veranderingen in het beleid zouden moeten worden doorgevoerd laten we aan de schaakbonden over. In hoeverre de schaakbonden is kúnnen doen is ook minder makkelijk dan we het hier laten lijken, daarvan zijn we ons bewust. Uiteindelijk is het toch vaak een toernooiorganisator of het bestuur van een vereniging die de indeling van hun toernooien en competities bepalen. Maar als de Schaakbond in staat is om binnen tien jaar tijd de sport schaken succesvol heeft geïntroduceerd op basisscholen, zijn ze ook in staat om de eerste stappen te zetten richting een gemengde schaakwereld. Uiteindelijk zijn de rolmodellen machtig genoeg om een sport een ongelooflijke boost te geven. Denk aan hoe Max Verstappen de Formule 1 sport op de kaart gezet, hoe Rico Verhoeven het kickboksen op de kaart heeft gezet en hoe de Oranje Leeuwinnen het damesvoetbal op de kaart hebben gezet. Dát hebben vrouwelijke schakers ook nodig: een Judith Polgar van onze tijd. Laten we eens vergelijken wat dát met het aantal schakende meisjes in bijvoorbeeld Nederland zou doen. Maar belangrijker nog: de hegemonie van de mannen op het schaakbord komt in gevaar. Vrouwen zullen mannen uitdagen en verslaan, daartoe zijn vrouwen op een zeker moment in grote getalen in staat. Kortom: kunnen mannen beter schaken dan vrouwen, en zo ja: waarom? Geen idee. Maar we weten wel hoe we het in de toekomst misschien een flink stuk spannender kunnen maken..

Door: Juan de Graaf en Thieu Schraven